Zo bepaal je welke Gravelbanden geschikt zijn voor jou

Gravelbiken draait om vrijheid: het ene moment zoef je over asfalt, het volgende ploeter je door modder of stuiter je over boomwortels. Omdat je banden het enige contactpunt zijn met de grond, bepalen ze voor 80% het rijgedrag van je gravelbike. Maar hoe vind je de perfecte balans in het enorme aanbod?

In dit artikel kijken we naar het juiste profiel en breedte tot de ‘geheime’ factor van soepele wangen en de perfecte bandenspanning.


1. Bandbreedte: Comfort is snelheid

Vroeger dachten we: smal en hard is snel. In de gravelwereld – en inmiddels ook op de racefiets – is dat achterhaald. Een bredere band vervormt makkelijker om obstakels heen, waardoor je niet stuitert maar rolt. Dit bespaart energie.

  • 35 – 38 mm: Voor de ‘All-road’ rijder. Perfect als je 60-70% asfalt rijdt en harde gravelpaden (zoals schelpenpaden) opzoekt. Snel, maar minder vergevingsgezind op ruw terrein.
  • 40 – 45 mm: De sweet spot voor de meeste gravelbikers. Je hebt genoeg volume voor boomwortels en zand, maar ze voelen niet als trekkerbanden op de weg.
  • 47 – 55 mm: Voor ‘Monster gravel’ en bikepacking. Je komt hiermee in mountainbike-terrein. Comfort en grip zijn maximaal, maar de band is zwaarder en trager bij het accelereren.

Let op: Past het wel? Koop niet blind de breedste band. Check de ’tire clearance’ van je frame en voorvork. Houd altijd minstens 4 tot 6 mm ruimte over aan beide kanten voor modderophoping, anders schuur je je frame kapot. Let ook op je velgbreedte: op een moderne brede velg (23-25mm intern) valt een 40mm band vaak breder uit (bijv. 42mm).


2. Profiel: wat past bij jouw ondergrond

Het profiel bepaalt je grip, maar ook je rolweerstand. We kunnen drie categorieën onderscheiden:

De Slick / Fileprofiel

  • Kenmerken: Bijna glad, soms met een heel fijn diamantprofiel.
  • Gebruik: Droge omstandigheden, asfalt en harde zandpaden.
  • Nadeel: In natte bochten of modder ben je kansloos.

De Semi-Slick (De populairste keuze)

  • Kenmerken: Een gladde loopstrook in het midden voor snelheid, maar duidelijke noppen aan de zijkant.
  • Gebruik: De ideale allrounder voor Nederland. Je rolt hard op het rechte stuk, maar als je de fiets platgooit in een bocht, grijpen de zijnoppen zich vast.

Het Grove Profiel (Knobbly)

  • Kenmerken: Overal noppen, vergelijkbaar met een MTB-band.
  • Gebruik: Natte herfst- en winterritten, los zand, modder en rotsachtige ondergrond.
  • Nadeel: Op asfalt zoemt de band en voel je weerstand.

3. Het Karkas (TPI)

Naast profiel en breedte is de soepelheid van de band cruciaal. Dit wordt vaak aangeduid in TPI (Threads Per Inch).

  • Hoge TPI (bijv. 120+): Het karkas bestaat uit veel dunne draden. De band is extreem soepel (‘supple’), vormt zich perfect naar de ondergrond en rolt heerlijk snel. Nadeel: Ze zijn vaak kwetsbaarder voor lekrijden en slijten sneller.
  • Lage TPI (bijv. 60 of lager): Dikkere draden en meer rubber. De band is stugger en zwaarder, maar kan veel beter tegen scherpe stenen en doorns. Ideaal voor zware bikepacking-trips waar betrouwbaarheid belangrijker is dan snelheid.

4. Luchtdruk: Lager is (bijna altijd) beter

De grootste fout die gravelbikers maken is rijden met te harde banden. Als een band te hard is (bijv. 3 bar of meer in een 40mm band), stuitert de fiets over elke oneffenheid. Dit stuiteren kost energie (impedantie) en zorgt voor minder grip.

Richtlijnen voor een rijder van ±75kg met 40mm banden (Tubeless):

  • Grof/Nat terrein: 1.7 – 1.9 bar
  • Mix/Droog terrein: 1.9 – 2.2 bar
  • Veel asfalt: 2.3 – 2.5 bar

Pro-tip: Gebruik een online bandenspanningscalculator (zoals die van SRAM of SILCA). Deze berekent de ideale druk op basis van je gewicht, bandbreedte en velgtype.


5. Tubeless vs. Binnenband

De discussie is eigenlijk beslecht: voor gravel is tubeless de standaard.

  • Het voordeel: Je rijdt zonder binnenband, met vloeibare latex in de band. Doorns of kleine gaatjes worden direct door de latex gedicht terwijl je fietst. Hierdoor kun je met veel lagere druk rijden zonder risico op stootlekken (snakebites).
  • Het nadeel: De montage kan knoeien zijn (je hebt vaak een compressor of ‘booster’ nodig) en je moet de latex elke 4 tot 6 maanden bijvullen.
  • Het alternatief: Wil je écht niet aan de latex? Kies dan voor moderne TPU-binnenbanden (zoals Tubolito of Pirelli SmartTube). Deze zijn lichter en compacter dan ouderwets rubber, maar bieden niet de zelfhelende werking van tubeless.

De “beste” gravelband bestaat niet; het is altijd een compromis.

  1. Rijd je vooral in Nederland op droge schelpenpaden en asfalt? Kies een 38-40mm semi-slick met een soepel karkas.
  2. Ga je de Ardennen in, of rijd je het hele jaar door in modder? Pak een 45mm band met grof profiel en extra lekbescherming.
  3. Durf te zakken in bandenspanning. Het levert je direct meer gratis grip en comfort op.